Skip to main content

Full text of "[untitled] Mnemosyne, (1856-01-01), pages 154-180"

See other formats


STOP 



Early Journal Content on JSTOR, Free to Anyone in the World 

This article is one of nearly 500,000 scholarly works digitized and made freely available to everyone in 
the world by JSTOR. 

Known as the Early Journal Content, this set of works include research articles, news, letters, and other 
writings published in more than 200 of the oldest leading academie journals. The works date from the 
mid-seventeenth to the early twentieth centuries. 

We encourage people to read and share the Early Journal Content openly and to teil others that this 
resource exists. People may post this content online or redistribute in any way for non-commercial 
purposes. 

Read more about Early Journal Content at http://about.jstor.org/participate-jstor/individuals/early- 
journal-content . 



JSTOR is a digital library of academie journals, books, and primary source objects. JSTOR helps people 
discover, use, and build upon a wide range of content through a powerful research and teaching 
platform, and preserves this content for future generations. JSTOR is part of ITHAKA, a not-for-profit 
organization that also includes Ithaka S+R and Portico. For more information about JSTOR, please 
contact support@jstor.org. 



De fide el auctoritale Appiani in bellis Romanorum civu 
libus enarrandis ( , ) exploratis fontibus , quibus usus 
esse videtur. Scripsit Dr. J. A. Wijnne. Groningae , 
1855. 129 pagg. 



Ei lil v <pp«au ri^$èi; , oi>%i <r' tuQpxvü • 
el 5' eutypxvü rl <r' , ov%i t«A>j0£s (ppüeu. 

Agatho. 



In Junij 1854 heeft het Prov. Utrechlsch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen de volgende vraag voorgesteld, ter 
beantwoording vóór of uiterlijk op den 50 November 1856: 

Examinelur fides Appiani in bellis Romanorum civilibus 
enarrandis, exploratis diligenter fontibus, quibus usus 
esse videatur. 

Dat tot deze prijsvraag de verhandeling van Dr. Wijnne in 
eenige betrekking slaat , laat zich wel terstond vermoeden , 
doch blijkt niet duidelijk , daar het boek geen woord bevat , 
dat strekken kan tot toelichting van zijn' oorsprong. Slechts 
deelt de S. op bl. 2 ons mede, dat hij hel aan anderen over- 
laat, naar de bronnen van het geheele werk van Appianus te 
onderzoeken, en het hem lust zich te bepalen tot de navor- 
sching van die, welke voor de BellaCivilia gebruikt zijn. Wat 
er ook van zij , ik geloof dat wij ons minder over de verhaaste 
verschijning van Dr. W. 's geschrift verheugen mogen , dan 
het betreuren, dat hij redenen gehad heeft om de vruchten 



J. A. WlJNNE , DE FlDE ET FONTIBUS APPIAM IN BELL. CiVIL. 1 55 

zijner nasporingen niet eerst, behoorlijk gerijpt, Ier keuring 
aan te bieden aan genoemd Genootschap. Vermoedelijk zou hij 
dan beter het belang der wetenschap behartigd hebben, die 
uu door de uitgave van zijn werk niet alleen niet gebaat is , 
maar welligt te minder kans heeft om spoedig met een goed 
kritisch vertoog over de bronnen van Appianus verrijkt te wor- 
den. 

Zonder elk onderdeel van het geschrift naauwkeurig te ont- 
leden, vertrouw ik in dit verslag te zullen bewijzen, dat mijne 
harde uitspraak niet berust op losse gronden. Meer opzette- 
lijk zal ik mij met dat gedeelte bezig houden , hetwelk aan het 
onderzoek naar de bronnen van Appianus gewijd is; doch in 
het algemeen hem, die het boek niet van nabij kent, op een 
standpunt trachten te plaatsen , van waar hij , bij een overzigt 
over het geheel, inzigt krijgt in de wetenschappelijke waarde 
der gedane nasporingen en bevindingen. Met dit doel wil ik 
nu eens den S. geregeld volgen , waar hij is voorgegaan , en 
doen uitkomen , in welken trant en met welken uitslag hij ge- 
werkt heeft ; dan weer aantoonen , waar ik zijne voetstappen 
niet heb aangetroffen , en hoe hij , naar mijn oordeel , tot 
meer volledige en betere uilkomsten had kunnen geraken. Het 
pleit over taal en stijl beslisse ieder voor zich : want dikwijls 
zal ik Dr. W. zelven laten spreken. 

De S. heeft zijn werk in 8 Capita verdeeld , van welke de 
3 eerste tot opschrift hebben: 

I. De fontibus , quibus A. libro primo de Bellis Civilibus 
usus esse videtur. 

II. Investigalur , quosnam scriplores A. libro secundo adhi- 
bueril. 

III. Quaerilur , quosnam auctores A. libro tertio , quarlo , 
quinto conlulerit. 

Ik houd deze verdeel ing voor allerongelukkigst gekozen : want 
hoe aannemelijk zij ook schijne voor het werk van Appianus, 
voor de schriften , van welke deze zich bediend heeft , is zij 
eene verbrokkeling , die op hare beurt wéér oorzaak is van 
een omslagtig en gerekt betoog. Zoo komen Sallustius, Caesar 
en Diodorus in Cap. I en II voor ; Asinius Pollio , Octavianus 
en Süetonius in Cap. II en III; Nepos, Cicero, Livius, Vel- 



lt»6 J. A. WlJNKE, DE FlDE ET FoXTIBUS 

leius , Valerius Maximus , Frontinus , Florus en Plutarchüs in 
Cap. I, II en III; ja zelfs wordt Cicero's Leven van den laat- 
ste voor een klein gedeelte in Cap. II, voor hel overige in 
Cap. 111 behandeld. Rekent men hierbij nog dit, dat in § 2 
van Cap. I en in § 1 van Cap. II en III eene opsomming 
plaats heeft van de bekende en van onbekende bronnen voor 
het door Appianus beschrevene tijdvak , dat vervolgens deze 
bronnen weer hoopsgewijze in de §§ worden opgenoemd en 
nagegaan , telkens met eene soort van voorafspraak of kleine 
inleiding , dan zal men zich eenigermate een denkbeeld kun- 
nen vormen van het breedvoerige en langwijlige van het ge- 
heel. 

Kunstmatiger , niet doelmatiger noem ik de versnippering 
van het betoog de Ji de el aucloritate in de volgende Capita: * 

IV. Quid et quantum A. e fontibus suis desumsit ? sive de 
natura et indole librorum de Bellis Civilibus. 

V. De Appiani iudicio hislorico. 

VI. Qua cura ac diligentia A. in hisloria conscribenda ver- 
salus est ? 

VII. De Appiani fide et verilale (p. 75—127). 

Hoe toch zou , anders dan ten koste eener verbreking van het- 
geen ten naauwste verbonden is, eene beschouwing over »iu- 
»dicium historicum " te scheiden zijn van eene juiste waarde- 
ring van »cura ac diligentia"; hoe vcoral deze mogelijk, zon- 
der te treden op het gebied van »fides et verilas"; hoe einde- 
lijk buiten dit alles om «natura et indoles" volledig en naar 
waarheid te beschrijven ? Dat bij zulk een versnipperen de 
bondigheid van redenering niet weinig lijdt , en ook hier be- 
knoptheid van voorstelling ten offer gebragt is , springt van 
zelf in het oog. Is nu dit andere deel van het onderzoek af- 
geloopen en het eindvonnis, welk dan ook, over Appianus uit- 
gesproken , dan ontvangen wij tot toegift Cap. VIII. De ora- 
tionibus in Appiani libris de Bellis Civilibus obviis , een op zich 
zelf niets beteekenend aanhangsel van nog geen 5 bladzijden , 
welks zonderling begin: » Appianus homines non tantum agen- 
tes, sed loquenles in hisloriam suam induxit ", bij den lezer 
onwillekeurig den indruk maakt, als had de S. een' zijdeling- 
sclien blik op Babrius c. s. geworpen. Inlusschcn wordt déze 



Appiani in Bellis Civilibus. li>7 

indruk spoedig uitgewiscbt , en de zaak eenigzins opgehelderd 
door: «Affert enim perplures 1 orationes a Snlla, a Caesare , a 
«Pompeio, — ad hostes, ad milites, — ad viros mododiclos, 
»ad nullum non habitas." Het laatste is ten minste geheel 
nieuw, zelfs voor de uitverkorenen, bedoeld bij het: »Haud 
»credo, bodie multos fore, qui nesciant, bas orationes non eo 
»modo, quo Appianus velit, habitas esse." In ernst, door die 
redevoeringen niet, gelijk met sommige geschied is, in hel 
overige deel der verhandeling te bespreken , maar ze buiten 
dadelijk verband te stellen met bronnen en feiten , door ze af 
te zonderen van de algemeene beschouwing over »fides et ve- 
-ritas," heeft de S. een' ergen misslag begaan, dien hij loch 
even gemakkelijk had kunnen, als volstrekt moeien vermijden. 

Eene verdeeling , welke niet den vorm alleen betreft , maar 
op het gansche wezen van 'het boek een' zoo ongunstigen in- 
vloed heeft uitgeoefend, mag gewis niet beschouwd worden 
als eene zaak van ondergeschikt belang. Naar mijn inzien had 
de S. de natuurlijke splitsing van zijn onderwerp in 2 hoofd- 
afdeelingen , I. Fontes , II. Fides et auctoritas , moeten volgen , 
en dan verder om geen e Boeken van Appianus, om geene schei- 
ding in Capita zich moeten bekreunen , zoodal het onderzoek 
naar eene bron , eenmaal begonnen , tevens doorgezet en ge- 
ëindigd was geworden. Doch ook buiten de gebreken , welke 
men kan aanmerken als voortgevloeid uit de door Dr. W. ge- 
kozene verdeeling, lijdt zijn onderzoek nog aan menig ander 
euvel , dat door geen' stalen vlijt wordt vergoed. Ik zal mijn 
oordeel niet zamenvalten, eer wij zijne gangen hebben nage- 
gaan. Dan kan men het toetsen aan eigene ondervinding. 
Het eerste Caput zal ik vrij geregeld doorloopen , de andere 
niet uit het oog verliezen. 

§ 1. De Appiano aut rcrum scriplore aut compilatore (bl. 
1 , 2). Naar het opschrift te oordeelen , schijnt men hier een 
tiiTTspov 7rpérspov aan te treffen , en zou men deze § aan het 
slot, niet aan het begin van het onderzoek verwachten. Uit 



') Van dezen vrij zeldtamen cojnparativus van permultus komt lil. 45 s. f. 
het neutrum perplura voor. 



158 J. A. Wijnne', de Fide et Fontibus 

den inhoud blijkt evenwel, dat de S. slechts namen en gevoe- 
lens van geleerden wilde opgeven , door welke Appianus , al of 
niet, als «compilator nnllius iudicii ac plagiarius" beschouwd 
is. Met enkelen hunner denkt de S. veel gunstiger over hem; 
immers — »Quid, quod Wyltenbachius eum optimis histori- 
»cis, veluti Thucydidi, Livio et similibus , nee adiungendum 
»nec longe postponendum iudicat?" een »quid, quod," waar- 
mee juist Wyttenbach zelf mogelijk het minst zou ingenomen 
zijn. Ik maak het op uit zijn: «Faciles hortor, ne auctori- 
»tati nimium tribuant , neque vel mini vel cuiquam alii sim- 
•pliciter affirmanti credant." En dit schreef hij nog wel, 
voor dat hij over het geschrift Tlsp) nxïhuv iyuyw zijn ge- 
voelen mededeelde , een geschrift , omtrent hetwelk vermoede- 
lijk zijne studie grondiger, zijn blik juister, zijn oordeel meer 
gescherpt was dan omtrent de 'IrTopixi van Appianus. Dan , 
hoe ver Dr. W.'s bewondering gaat van het «gezag," zal straks 
duidelijker blijken. Vertoeven wij thans een oogenblik bij het 
Leven van Appianus, hetwelk midden in deze § beschreven 
wordt, nadat de S. op het moeijelijke van zijn' arbeid gewe- 
zen heeft, verzoekende dat men niet meer van hem wil ver- 
gen, »quarn in tanta rerum farragine praeslare queat." Daar- 
voor was hij trouwens , zoo maar het In magnis voluisse hier 
geldig is , door het Ultra posse reeds gewaarborgd. Over Ap- 
pianus dan lezen wij het volgende: »De persona atque vita 
«Appiani nihil aliud compertum habemus praeter pauca ea , 
»quae in fine prooemii , operi suo praemissi (Praef. 15), ipse de 
»se scripsit. Vixit igilur Appianus imperante Traiano ac Ha- 
»driano, sed produxit eliam. vitam usque in Antonini Pii im- 
«perium, quo regnante hislorias suas edidit." — Niets minder, 
maar ook niets meer , behalve eene verwijzing op ScHWEiGHau- 
ser's Opusc. Acad. II. p. 9 sq. en Egger's Examen critique 
p. 243 sq. Munt dit levensberigt meer door zijne kortheid uit 
dan door juistheid , tevens is het een merkwaardig voorbeeld 
van onhandige navolging. Dat in een werk, waarin uitspraak 
gedaan wordt over de «fides et auctoritas" van een' ge- 
schiedschrijver, op diens levensomstandigheden behoort gelet te 
worden , zal wel niemand ontkennen ; wat echter een berigt 
beteeken t als het boven vermelde , zal niemand begrijpen. Al 



Appiani in Bellis Civilibus. 159 

mogen wij verder uit het Prooemlum van Appianus met eenigen 
grond gissen, dat hij nog onder het Keizerschap van Antoni- 
nus geleefd heeft, ofschoon dit door ScuwEiGHausER bl. 11 met 
meerdere zekerheid uit andere gezegden van Appianus is opge- 
maakt, strookt het buitendien in onzen tijd niet met de waar- 
heid , te beweren , dat wij van Appianus niels weten dan het- 
geen hij ons daar mededeelt. Sedert dat Fronto's Brieven aan 
het licht gekomen zijn , is zoowel de leeftijd van Appianus als 
zijn persoon nader bekend geworden. (Zie Epp. ad Anton. IX 
en Epp. Graec. II, III, waarvan gene door Appianus aan Fron- 
to , de andere in antwoord daarop geschreven is.) Egger heeft 
bl. 245 van deze aanwinst behoorlijk partij gelrokken, om 
aan te loonen, dat Appianus geschiktheid en tevens gelegen- 
heid schijnt gehad te hebben tot het schrijven van eene goede 
geschiedenis van den Romeinschen staat. In plaats nu van 
Egger's voorbeeld te volgen en zelf de weinige bouwstoffen voor 
het leven van Appianus te verwerken , schrijft Dr. W. bijna 
woordelijk een gedeelte af van hetgeen vóór eene halve eeuw 
door Schweighüuser gezegd is. Zonderling , dat iemand , die 
tol zinspreuk koos: «In primis arduum videtur , res geslas 
» scribere" ', zich aan zulk eene onhandigheid schuldig maakte, 
juist loen hij sprak de Appiano aut rerum scriptore aut compi- 
lator e I 

Op dit ïpyou vpiauirov TyXxuyéi; volgt in § 2. bl. 5 — 5 eene 
optelling van bronnen , uit welke Appianus kan geput hebben , 
met de aanmerking: »semel commentarios quosdam se inve- 
»nisse teslatur (c. 97), qui tradant, Sullam senatusconsulto 
»quodam 'EirxCppó^irov fuisse appellatum." Hierop wordt eerst 
over schriften van de Gracchi gehandeld , dan over de Annales 
van Fannius, eindelijk over de Historiae van Rutilius Rufus. 
Hooren wij den S. zelven : »Neque Gracchorum oraliones, 
»quas Plutarchus saepius citat, neque Caii de fralre scriptum 
»aut Corneliae ad Caium epistolas novisse videtur Appianus. 
» Nihil enim eorum , quae ille ex iis affert, apud Appianum 
»legilur. Constat quidem , orationes illas collectas fuisse et 
«monumenta Gracchorum manus Plinii aetate adhuc exstitisse, 
»sed nihil probat , illas Appiano ad manum fuisse." Het kan 
vreemd schijnen, dat Plutarchus hier zoo in het spel komt, 



160 J. A. WlJNNE, DE FlDE ET FoNTIBUS 

dal hij bijna als belper optreedt ; doch die het door den S. 
trouw aangehaalde boekje van Heeren wil naslaan , de fontt. 
Plutarchi ed. 1820, zal bevinden, dat Heeren bl. 152 vlg. 
omtrent Plutarcbus bevestigt, wat Dr. W. ten opzigte van Ap- 
pianus ontkent. Op dezen verwijst evenwel Heeren ten on- 
regte , als gewaagde hij van eene Verzameling van genoemde 
redevoeringen. Maar Heeren is daar geheel aan het dwalen : 
want Plutarcbus zegt óók niet, dat hij die redevoeringen zel- 
ven gekend, of zich van zulk eene verzameling bediend heeft 
voor hetgeen hij er uit mededeelt , en de door Heeren aange- 
haalde plaats (Vit. C. Gracchi XIII) , die bewijzen moet , dat 
Plutarchus de êmtTré^ix van Cornelia heeft gelezen , bewijst 
juist het tegendeel. Als men dus met eigen oogen ziet , dat 
Heeren invito Plutarcho zoo schrijft , wat heeft men dan de 
hulp van Nitzsch in te roepen, en te verzekeren: »Plular- 
»chum easdem (epislolas) haud novisse, invito Heereno, af- 
«firniat Nitzschius (die Gracchen, p. 455)"? Nog onbegrijpe- 
lijker is het, hoe door een gevoelen van Nitzsch over Plutar- 
chus , hetwelk ieder voor zich zelf terstond moet opvatten , 
eene meening omtrent Appianus in waarschijnlijkheid kan win- 
nen. Immers verneemt men: »Quum enim Nitzschius quamvis 
»disseuliente Heereno iure dubilet, an Plutarchus eas (oratio- 
»nes) revera viderit, eo verisimilius videtur, Appianum pauca 
»illa, quae e Tiberii oratione apud eum inveniuntur (c. 9, 11), 
»aliunde collegisse." Wat eindelijk het /3;/3A;'ai/ van Caius be- 
treft , door Plutarchus vermeld (Vit. Ti. Gr. VIII), het schijnt 
den S. zeker, dat het aan Appianus onbekend was. De reden 
is ook hier: »Quum id, quod Plutarchus e Gaii scripto hau- 
»sit, apud Appianum frustra quaeralur, neque hoc opus ei 
»innotuisse slatuimus." 

Op gelijken grond wordt aan de Annales van C. Fannius eene 
plaats onder Appianus' bronnen ontzegd. Wat de S. buitendien 
over Fannius aanteekent , is een uittreksel uit Heeren's werkje 
(bl. 133 vlg.), bijna met dezelfde woorden, ad — usque niet 
uitgezonderd. Gewoonlijk is hij het dan ook met Heeren eens, 
zoo namelijk, dat hij niet alleen diens methode getrouw volgt, 
maar dikwijls zijne woorden , een' enkelen keer zelfs zijne 
fouten overneemt. Wat Heeren gezegd heeft , treedt veelal op 



Appiani in Dellis Civilibus. 161 

den voorgrond, geldt ook wel voor bewijs, is in elk geval van 
groot gezag. Na Heeren komt Krause , Vilt. et fragm. histor. 
Rom. , een bij kritische nasporingen even onzekere gids. Bei» 
den deelen broederlijk de eer van de bouwstoffen voor Ruti- 
lius geleverd te hebben. »Sequatur Rutilii Rufi, probitate et 
«calamitate sua notissimi, Marianis temporibus innocui in exi- 
»lium acti , historia Romana, Graece conscripta. An hoc li- 
»bro ab urbis origine historias inceperit Rutilius, iure dubi- 
»tatur (Heeren, Lachmann de fonlt. Liv. II. p. 27. Contra* 
»rium existimat Krause, p. 228.); sed eum Gracchorum tur- 
»bas ac Marii incepta complexum esse constat. Vir fuit non 
«saeeuli sui, sed omnis aevi optimus (Veil. Pat. II. 13. Cf. 
«tarnen Krause, p. 229.) idetnque doctissimus , Sloicus, et ut 
»ceteras virtutes omiltamus, scriptor fide dignissimus, quem 
»Plularchus, quamquam ipse non optimus iudex, veracem ac 
«probum vocat historicum , nisi quod Mario infestus fuerit." 
Nu leze men Heeren bl. 155 , dan zal men daar Velleius wel 
niet aangehaald, over de braafheid en het ongeluk van Roti- 
hos op die wijze niet gesproken , over Plutarchus zoo ongun- 
stig niet geoordeeld zien, die volgens Heeren «plurimum ei 
»lribuit", volgens Dr. W. , 4 regels lager, »eidem plurimum 
» tribuit " ; — maar slaat men het werk van Krause op , dan 
zal men door middel van bl. 228 vlg. al deze gapingen voor- 
treffelijk kunnen aanvullen , en nog wel iets vinden , dat de S. 
onmiddelijk daarna heeft te pas gebragt. Al wie zoo te werk 
gaat, kan zeker binnen korten tijd een boek zamenslellen, maar 
bouwt niet op, brengt de wetenschap geene schrede vooruit. 
Rutilius wordt door Appianus, die anders zijne bronnen vrij 
geheim houdt , ééns als zegsman genoemd , de reb. Hisp. 
LXXXVIII, waar hij het beleg van Numantia beschrijft. Ru- 
tilius verdiende dus meer dan vele anderen, aan welke Appia- 
nus mogelijk iets , maar ook mogelijk niets te danken heeft , 
Dr. W. 's opmerkzaamheid, die in dit geval ten minste schijnt 
begrepen te hebben , dat men bij het zoeken van de bronnen 
voor de Bella Civilia niet de ongerijmde stelling moet aankle- 
ven , dat Appianus daar geene Commentarii gebruikt heeft , van 
welke hij zich elders heeft bediend. Doch in 4 regels loopt 
de gansene zaak bij hem af, kort derhalve, maar wonderlijk 



1Q% J. A. WlJNNE, DE FlDE ET FoNTIBUS 

tevens. »Uli hinc cuiu aliqua veri specie concludere Heel , 
»Appianum et in Gracchorum et in Marii hisloria quaedam ex 
»eo hausisse, ita augetur haec suspicio, quoniam Appianum , 
»uti Rutilium , Mario nonnihil infeslum cognovimus, quod 
«infra palebit." Zoo zal dan later blijken, wat wij nu reeds 
weten ! 

Voegt men bij de genoemde schrijvers Nepos en Sisenna , 
hieronder te vermelden , dan heeft men , wat het tijdperk der 
Gracciii betreft, alle fonles bijeen, welke, naar aanleiding van 
Plutabchus, voor Plutarchus Heeren, naar aanleiding van Heb- 
ren , voor Appianus Dr. W. opgeeft. Toch is het waar , dat 
de laatste , hiermede niel geheel tevreden , Appianus te gun- 
stig jegens de beide broeders gestemd acht , om niet ook an- 
dere , hun zeer toegedane schrijvers geraadpleegd te hebben. 
Hij betuigt dat meer dan eens, b. v. bl. 14, waar hij aan- 
merkt, dat Lmus daartoe niet moet gebragt worden. Maar 
wie vermoedelijk dén? Daaromtrent wordt niet de minste gis- 
sing gewaagd. Lag het dan zóó ver van de hand, een' ge- 
schiedschrijver op te sporen , die toen geleefd , die zelfs tot 
de familie der GnAccm behoord beeft ? Mij dunkt , Gellius 
N.A.U. 15 gaf toch wel eenigzins te kennen, dat hel P. Sem- 
pronius Asellio kan geweest zijn, weleer Tribunus militum voor 
Numanlia , even als llumius. Te oewijzen is het zeker niet , 
maar op hem te verwijzen duizendmaal meer gepast , dan het 
voegzaain schijnt in een kritisch onderzoek , dat men onge- 
vergd op zich neemt, te zeggen, dat men er volstrekt geen' 
lust in heeft zulke onbekende bronnen op te sporen. »Qui- 
»nam hi (fontes) fuerint investigare, nihil iuvat", bl. 2S. 
Maar — waarom het verzwegen? — over het geheel mis ik 
in deze verhandeling dien kritisch vorscheuden blik , welken 
Lucretius (I. 404 sqq.) door het volgende beeld zoo juist en 
zoo schoon ons beschrijft: 

namque canes ut montivagae persaepe ferai 
naribus inveniunt intectas fronde quietes , 
cum semel instilerunt vesligia certa viai ; 
sic alid ex alio per te tule ipse videre 
talibus in rebus poteris, caecasque lalebras 
insinuare omnis et verum protrahere inde. 



Appiani in Bellis Civilibus. 163 

D&t alleen is de weg om bronnen op te sporen , ddt alleen om 
ze te vinden. Die daartoe geene kans ziet, geene opwekking 
gevoelt , hij wage zich niet op dit nioeijelijk veld der kri- 
tiek , maar vermeije zich liever in lusliger oorden. Vooral 
moet het per se ipsum videre én regel én uitzondering zijn. 
Aan deze lex Lucretia heeft Dr. W. zich zwaar vergrepen. 
Schweigh&user , Heeren , Egger , Nitzsch , Lau , Bernhardy , 
Krause, ja ook Kraüse, mogen en kunnen ons voorlichten; — 
waarom niet? dikwijls zien wij dan zoo veel te beter; — maar 
hun licht moet ons de oogen niet in die mate verblinden , — 
en wanneer wij er te digt bijloopen , gebeurt dit ras, — dat 
wij len laatste bij al dat licht het spoor bijster worden, den 
gids onder den arm nemen en tot hem zeggen: «Vriend, 
«leid gij mij maar; gij kent den weg: want gij zijl er meer 
«geweest; ik durf mij best op u verlaten". Neen, overal en 
hier vooral , eigen onderzoek en zelfstandigheid ; geen gezag , 
geen xvrog s(px. 

§ 3. «Pervenimus ad L. Corn. Sisennam ". Hetgeen ter* 
stond daarop volgt, is weder, om. het bij het regie woord te 
noemen, zamengeflanst uit Heeren (bl. 134) en Krause (bl. 
301). Over ééne fout van Heeren is evenwel de S. gelukkig 
heengegleden , dat namelijk de Hisloriae van Sisenna zouden 
begonnen zijn »ab urbe a Gallis capta". Krause beeft zich 
buiten schot weten te houden. Vergis ik mij niet , dan ver- 
raadt het fragment uit het eerste Boek bij Nonius i. v. proli- 
nus eene gebeurtenis, die met den Marsischen oorlog in ver- 
band staat, en behooren de op vroegeren tijd doelende plaat- 
sen, bij Servius Aen. I. 242, XI. 316 en Nonius i. v. iuxlim, 
tot Sisbnna's prooemium. Intusschen heeft Heeren, eenigzins 
buiten zijne schuld , den S. , omdat hij niet uit eigen oogen 
zag, eene leelijke poets gespeeld. «Neque Plutarchus (Lucull. 
«I. Cf. Heeren.) eundem neglexit", schrijft Dr. W. Had hij 
evenwel zelf de woorden van Plutarchus gelezen, dan zou het 
hem mogelijk gebleken zijn , dat Heeren zich vergist heeft en 
Sisenna door Plutarchus niet geciteerd wordt. Maar het loopt 
nog erger. Heeren heeft zijne vergissing weldra ontdekt en 
bl. 157 in eene noot het gezegde herroepen, met belofte, dat 
bij elders zou aanloonen , dal Plutarchus in andere Levens Si* 



164 J. A. WlJNNE, DE FlDE ET FoNTIBUS 

senna's Historiae geraadpleegd had , eene belofte , welke hij 
noglhans niet is nagekomen , denkelijk wel d&arom , dat Sisenna 
nergens door Plutarghus wordt aangehaald en Hebren zelden 
dieper doordringt. Wal doet nu Dr. W.? Beide bladzijden 
van Heeren vermeldt hij naast elkander, en neemt de fout 
over, doch laat zich aan de verbetering niet gelegen lig- 
gen ! Wal hij er ten laatste bijvoegt over Sisenna's werk als 
fons van Appianus, heeft niets te beteekenen : »Appianus eum 
»nec nominat , nee adhibuisse videtur". Hel een is juist, het 
andere welligt onbewijsbaar , maar door «siquidcin e duobus 
»Sisennae fragmenlis nihil apud eum reperitur" zeker niet 
bewezen. Van Sisenna toch hebben Kiuuse en Bom meer dan 
120 fragmenten verzameld, ofschoon de meeste weinig waarde 
hebben. Wat is dus «duo"? De twee, welke de S. aan- 
haalt , als Ie vinden bij Cicero de Div. I. 44 en Tacitus Hist. 
III. 51 ? Dan — geen woord meer over Sisenna. 

Thans is de beurt aan Valeriüs Aatias en Q. Claudius Qua- 
drigarius , «quorum operibus Appianum usum esse nullo in- 
»dicio colligi potesl". Is hel niet, als lazen wij een boek 
»de fontilms, quibus Appianus usus el quibus non usus esse vi- 
■ delur"? Tot opheldering dienl : »Nam neuter usquam in 
»eius libris nominalur , nee fragmenta , quae ex eorum anna- 
■«libus servata sunt, ad collalionem adhiberi possunl". En 
hiermede schijnt voor de (len minste) '75 libri annales van 
Valeriüs het pleit voldongen. Wat Claudius betreft , diens 
fragmenten »ad collalionem adhibere" zal iedereen uitliet vol- 
gende voorbeeld moeten begrijpen dat onmogelijk is. »Sic Qua- 
»drigarius in quodam fragmenlo, auctore Popma ad bellum 
«sociale pertinente (Krause, p. 260, 261.) exemplum fidei duo- 
»rum servorum ex urhe Grumento erga dominam suam nar- 
»rat, quodAppiano, licetGrumenti obsidionem atlingat (c. 41), 
«incognitum esl". Sicl Maar heet dat kritiek? Had de S. 
dan liever Appianus de reb. Syr. XLII met Livius XXXVIII. 
23 vergeleken , waar de getuigenis van Claudius wordt opge- 
geven omtrent de overwinning van den Consul Cn. Manlius op 
de Gallograeci. Het zou hem gebleken zijn, dat Appianus daér 
niet met Claudius overeenstemt, maar met Livius, even als in 
de opgave van het aantal gesneuvelden , hij gelegenheid dat 



Appiani in Bellis Civilibus. 163 

Manlius de Teclosagi lol aan den Halys nazelle, hetwelk bei- 
den op 8000 begrooten. Zie Livius 1. 1. 27. Of nu Livius 
hier uit dezelfde bron als Appianus, vermoedelijk het XXII e Boek 
van Polvbius , dan of deze uit genen geput heeft, is eene an- 
dere vraag. Eéne plaats van Appianus hebben wij ten minste 
gevonden , die aan Claudius niet ontleend is. Zoo kunnen er 
meer zijn, ook in het I e Boek der Bella Civilia. Appianus' 
zwijgen over zaken, die Claudius heeft opgeleekend, zoo als 
het gebeurde met de slaven uit Grumentum , bewijst op zich 
zelf niets. Mogt men met Giesebrecht , vermeld door Kbause 
bl. 244 vlg. , als waar aannemen , dat de Claudius, door wien 
de in het Grieksch geschrevene Annales van Acilius zoo goed 
gebruikt zijn , dat hij ze als het ware vertaald heeft , — 
dus meen ik de gezegden van Livius XXV. 59. 12 en XXXV. 
14. 8 vereenigd te moeten verklaren , — mogt men aanne- 
men, dat die Claudius geen andere is dan Quadrigarius, als- 
dan zou uit eene vergelijking van laatstgenoemde plaats van 
Livius met Appianus de reb. Syr. X (vgl. Schweighüuser Jd- 
nott. III. p. 175.) zijn af te leiden , dat Quadrigarius aan Appia- 
nus wél bekend is geweest. Op zulke vermoedens valt even- 
wel niet te bouwen , ofschoon hij , die zorgvuldig bronnen na- 
spoort , naar mijn oordeel , ze niet geheel over het hoofd mag 
zien. 

De naam van Claudius gaf verder den S. aanleiding om 
melding te maken van Paulus Claudius. Gaarne beken ik, dat 
het tot geene zekerheid kan gebragt worden , wie door deze 
valsche benaming wordt aangeduid; maar bijna even onmoge- 
lijk acht ik het, zich zulk een onderzoek gemakkelijker te ma- 
ken dan door te schrijven: »Censuerunt quidem Vossius el 
» Schweighaeuserus , Paulum Claudium, qui ab Appiano in re- 
»bus Gallicis fr. 5 laudatur, eundem esse ac Quadrigarium ; 
»sed quominus iis assentiamur, prohibet cum Quadrigarii 
• praenomen Quinlus , tum Krausii aucloritas, tuni vero alio- 
»rum in alia omnia discedenlium opiniones (Lachin. II. not. 4, 
»Krause.) ". Zou die «Krausii auctorilas" toevallig in het 
midden gelaten zijn? Mij heeft Dr. W. 's resultaat zoo wei- 
nig bevredigd , dat ik zelf een onderzoek heb ingesteld , bij 
hetwelk zich Claudius Pollio als de waarschijnlijk bedoelde 



166 J. A. WlJNNE, DB FlDE ET FoNTIBUS 

persoon heeft voorgedaan a . Doch al verwerpt men deze gis- 
sing, zoo men mij slechts toegeeft, dat Appianus geene Histo- 
riae of Annales, maar eene Censura temporum van dien Clau- 
dius of Clodius gebruikt heeft (Plutarchus Vil. Num. I.), dan 
wordt daardoor, behoudens de kracht der meeste voorbeelden, 
welke de S. bl. 104 vlg. bijbrengt , vrij wat afgedongen op de 
gegrondheid van zijn beweren: »Appianum tempora nequa- 
»quam curasse, eum perquam socordem fuisse rationis anno- 
»rum". Voor het overige had Appianus, wat hij nu aan Clau- 
dius zegt verschuldigd te zijn , van Caesar kunnen vernemen , 
de bell. Gall. I. 12. 8 , 7. De getuigenis van Plutarchus is 
van meer belang, ook ter waardering van Claudius' geschrift. 
Dat Heeren's » gezag" bij den S. zwaar, zeer zwaar weegt, 
zoodat hij somwijlen onder het gewigt er van schijnt gebukt 
te gaan , is ons herhaaldelijk gebleken ; maar wie zou gedacht 
hebben , dat Appianus het werk van Lucullus Over den Marsi- 
schen oorlog denkelijk niet gebruikt heeft , omdat , volgens 
Hebren, ook Plutarchus daaruit niet veel nut heeft kunnen 
trekken? En toch, bl. 6 en 7 van Dr. W.'s boek staat: »Iu- 
• certum est, num Appiano Luculli historia belli Marsici, Grae- 
»ce composita, profuerit , quod tarnen non credibile, quum 
»teste Heereno neque Plutarchus multa ex ea in suos usus con- 
» vertere potuerit". — Hetgeen vervolgens ten aanzien van de 
Annales van Hortensius wordt aangemerkt , is zeer gegrond ; 
maar het komt niet uit, de redenering heeft geene kracht, 
omdat de reden te veel in het duister ligt. »Addo Hortensii 
^annales, quos Velleius Pat. de bello sociali retulisse ait (II. 
»16), quorumque tarnen Appianum immemorem vel inscium 
«fuisse opinor, quum Minatii Magi fortium facinorum in bello 
»sociali exponendo ne verbo quidem meminerit". Om dit 
"quum" te begrijpen en te beamen, behoort men te weten, 
dat Velleius, trotsch op zijn' »atavus" Minatius Magius, aan 
Hortensius zijne dankbare hulde brengt door te getuigen: »Cu- 



2 ) Dr. H. heeft deie meening uitvoerig besproken in eene bijdrage , welke 
wegens plaatsgebrek eerst in het volgende Nummer kan opgenomen worden. 



Ked. 



Afnam in Bellis Civilibus. 167 

»ius de virlutibus cum alii, turn maxime dilucidcque Q. Hor- 
»tensius in annalibus suis relulit". Voegt men er bij, dat 
Appianus niet eens den naam van Minalius noemt , dan zal men 
geneigd zijn met den S. te gelooven, dat de Annoles van Lu- 
cullus onder de bronnen van Appianus niet moeten geteld wor- 
den. Maar moesten zij dan vermeld zijn? 

Te regt beschouwt Dr. W. de vraag, of ook Sulla's Ge- 
denkschriften gebruikt zijn , als gewigtiger. Hij behandelt 
haar dan ook uitvoeriger, maar zeker niet beter. Op den voet 
zal ik hem hier niet volgen , en alleen vermelden , dat hij , 
hoewel Appianus enkele keeren bijzonderheden omtrent Sulla 
mededeelt , die wij bij andere schrijvers vergeefs zoeken , en 
jegens Sulla genegenheid beloont , er nog al toe overhelt om 
de vraag ontkennend te beantwoorden. Op welke gronden ? 
Vooreerst daarop, dat Appianus (c. 105), van Sulla's dood 
sprekende , geen gewag maakt van zijne Commenlarii , zoo als 
Plutarchus zulks doet. Verdienen dergelijke redenen eene we- 
derlegging , bijzonder wanneer een schrijver zich zoo weinig 
gelijk blijft, dat hij later (bl. 27) uit dezelfde plaatsen afleidt, 
dat zij uit ééne bron afkomstig zijn? En welk licht is den 
S. er uit opgegaan, dat het bij Sulla gemiste kenteeken bij 
Iuba voorkomt (B. C. II. 101), wel niet bij het berigt van zijn' 
dood , maar van zijne komst te Rome F Immers zelfs geen 
schemerlicht, zoodat hij b). 11 de verklaring aflegt: »Elsi Iu- 
»bam se novisse indicat Appianus , num eum adhibuerit haud 
«decernit. — Itaque haud diiudicare possumus, utrum Nepo- 
»tis vitam Gracchorum, an Iubae historias, Sullana tempora 
«comprehendentes, — adierit necne". Een sterker bewijs 
voor zijne meening vindt evenwel de S. daarin, dat bij Ap- 
pianus van al hetgeen Plutarchus aan Sulla ontleend heeft 
niets te lezen staat; een bewijs, dat dan alleen van eenige 
kracht kan zijn , wanneer Sulla's vrij trouwe volgeling Plu- 
tarchus dezelfde zaak anders verhaalt , en nog slechts in zoo 
verre, dat wij dan mogen besluiten, dat daar Sulla door Ap- 
pianus niet gevolgd schijnt. De twee plaatsen, welke de S. 
opgeeft , Plut. Suil. XXVII en XXVIII , App. B. C. I. 82 en 
87 , komen mij voor hiertoe te behooren , en het berigt over 
de nederlaag van Norbanus (App. I. 84) kon er nog wel bij. 



168 J. A. WiJNiNE, DE FlDE ET FoNTIBUS 

Uit het aaugevoerde maakt eindelijk de S. als slotsom op: 
»Quapropter mecum reputans, argumentis supra allatis non 
• lanlam vim inesse, ut ab omni obieclione immunia sint, 
» haudquaquam pro cerlo aflirmare ausim , Appiano Sullae 
»commentarios ad manum fuisse". Hadden wij hier met een' 
schrijver uit de oudheid te doen, wat zouden die »oscitantes" 
of »dormilantes librarii" weer te lijden hebben! Het was dan 
uitgemaakt, dat door hunne achteloosheid »haudquaquam" 
vóór »pro cerlo" was ingeschoven, terwijl het achter »com- 
•jnentarios" behoorde te staan. Men zou zich daarbij met re- 
den kunnen. beroepen niet alleen op § 10, waar Sulla's naam 
onder de »auctores" van Appianus niet gelezen wordt, maar 
vooral op hetgeen de S. 5 bladz. verder zegt , om zijne gis- 
sing , dat Appianus heel veel uit Posidomus heeft overgenomen , 
waarschijnlijker te maken: »Denique et hoc nonnihil apud 
»me valel , quod Appianus in hisloria certaminum Marii Sul- 
»laeque admodum a Plutarcho differt, hic vero Sullae cora- 
»mentarios, quibus Appianum non usum esse pulo , maxime 
»ducein sibi praeeuntem habuit". Nu gaat die beschuldiging 
niet op, en is er aan geen' «lapsus calami" van een' afschrij- 
ver, maar aan een' » lapsus memoriae" bij den S. te denken. 

Sulla's Gedenkschriften , als bron van Appianus, schijnen mij 
toe wel te verdienen, dat wij er eenige oogenblikken bij stil- 
staan, ook omdat bij dit onderzoek het verkeerde van Dr. W.'s 
methode zich duidelijk openbaart. Bijzonder bedoel ik het bo- 
ven (lil. 161.) aangewezen euvel, dat, ofschoon niet overal, 
toch meer dan eens, en hier voornamelijk zich voordoet. De 
Bella Civilia heeft hij te veel beschouwd als een werk op zich 
zelf, en afgescheiden van de overige afdeelingen der Romanae 
Hisloriae. Van de eersten had hij zich voorgenomen de bron- 
nen op te sporen ; al het andere lag buiten zijne taak. Ja , 
het lag ook daarbuiten , voor zoo verre die deelen der Ilisto- 
riae zelven niet behoefden onderzocht te worden; het lag niet 
daarbuiten , voor zoo verre zij regtstreeks bronnen noemden 
en zijdelings bronnen verrieden. Eén van heiden , óf men 
moet aannemen, dat Appianus voor elk onderdeel van zijn 
werk , behalve de daarop uitsluitend betrekkelijke geschriften , 
telkens andere schrijvers heeft geraadpleegd, of hij heeft zich 



Appiari in Bellis ClVILlBUS. 169 

overal van dezelfde bronnen bediend, zoo lang en zoo dik- 
wijls zij hem dienen konden. Het eerste te vooronderstellen 
is even ongerijmd als het laatste natuurlijk. Maar dan moet 
er bij het nagaan van de bronnen voor de Bella Civilia ook 
een blik geslagen worden op andere schriften van Appianus. 
Gesteld, hij heeft gebruik gemaakt van de Commenlarii van 
Sulla , kan er dan schijn van grond bestaan , dat hij ze b. v. 
wel voor den eersten Mithridatischen oorlog zou gebruikt heb- 
ben , maar niet bij het verhaal van hetgeen in Italië zelf tus- 
schen de partijen van Sulla en Marius heeft plaats gehad ; of 
omgekeerd? Eene tweede fout van Dr. W. doet. zich, insge- 
lijks niet doorgaans, maar onder anderen ook bij Sulla voor , 
dat hij namelijk te sterk zich laat medesiepen door het dwaal- 
begrip , alsof een schrijver , die uit zekere bron put , deze 
bron bijna uitput. Anders kan ik het ten minste niet verkla- 
ren , hoe het komt , dat ik meermalen aan twee schrijvers , 
die geene tegenstrijdige beriglen, maar juist niet dezelfde bij- 
zonderheden geven , op dezen grond dezelfde bron ontzegd zie. 
Van daar dan de redenering : Plutarchus heeft in het Leven 
van Sulla nagenoeg een uittreksel geleverd uit diens Gedenk- 
schriften; (een niet geheel verwerpelijk gevoelen van Hebren 
bl. 152, doch met behoedzaamheid toe te passen;) nu treffen 
wij wel bij Appianus plaatsen aan , die met de getuigenissen 
van Plutarchus tamelijk slrooken , doch deze vermeldt daarbij 
veel, dat men bij genen niet leest of door iets anders vervan- 
gen vindt; dus heeft Appianus Sulla's Commentarii niet gekend. 
Die zóó redeneert, moet onjuiste resultaten verkrijgen, vooral 
wanneer hij twee schrijvers in vergelijking brengt, wier plan- 
nen zoo uiteenloopen , dal de een verpligt is zelfs in kleine 
bijzonderheden te treden , de ander , wat niet van algemeene 
strekking is, vermijdt. 

Naar mijn gevoelen zijn er wel degelijk kenmerken , die ons 
het regt schenken om Sulla's Commentarii onder Appianus' 
bronnen te rangschikken ; doch om zulk een onderzoek meer 
dan te beginnen, ten einde mijne meening niet onbewezen te 
laten , acht ik geenszins van mijne taak. Van de vier plaat- 
sen , die zich bij eene vergelijking al heel spoedig aan mij 
voordeden , zal hel genoeg zijn twee te noemen. Vooreerst 



170 J. A. WlJNNE , DE FlDE ET FoNTIUUS 

verwijs ik dan naar Plutahchus Vit. Suil. XIX en Appianus de 
bell. Mithrid. XLV. Beiden zijn het daar over het aantal ge- 
sneuvelden bij Chaeronea aan de zijde van Mithridates in dat 
opzigt eens, dat er slechts een overschot van 10,000 man 
naar Chalcis ontkomen is. Mtipioi ftavai xirb tovovtuv piupixSav, 
zegt de een; de ander, ptiipioi ix Hutötxx (tvptxluv , terwijl wij 
bij Livius Epit. LXXXIII »caesis hoslium cenlum millibus" 
lezen. Daarop vervolgt 

Plutarchus : Appianus : 

'O Si XuAAas? Af'y«/ riwxpx? 'Puftxiuv 3f 'eüo%xv puv x7ro- 
xxt $ixx iirityTijiTeci tüv xuraü Qxveïv irsvTsxxfèexx xvüpeq , Sus 
arpxTtuTÜv , iitx xx) tovtuv S' xutüv iirxvijï.$ov. 
Swo irpot; rijv fawépxv irxpxye- 
vfaSxt. 

»Maar dat verschilt toch één man", hoor ik mij toeroepen; 
«derhalve valt aan Sulla's geschrift op déze plaats van Appianus 
»niet te denken". Ik voor mij vind nogal reden om die gevolg- 
trekking niet aan te nemen. Of heeft het eenige waarschijn- 
lijkheid voor zich , te vooronderstellen , dat het een ander dan 
een Sulla geweest is , die van zijn eigen volk , hetzij dan 
12, hetzij 13 man durfde te laten sneuvelen, tegen 110,000 
in de pan gehakte vijanden ? Plutarchus heeft het buitenspo- 
rige en onzinnige van zulk eene opgave ingezien , en daarom 
zijn' zegsman genoemd; Appianus volgde slaafsch. Een ander 
zou welligt gezwegen of b. v. irivv i\lyot geschreven hebben ; 
maar om willekeurig 14 tot 15 te verhoogen , als ware de 
zaak daarmee gevonden , kon in niemands brein opkomen , 
noch van Appianus zelven , noch van hem , dien men alsdan 
zou willen aannemen dat hij gevolgd heeft. Kortom, ik geloof, 
dat het verschil niet anders moet verklaard worden dan uit 
eene vergissing van Plutarcüus of Appianus, of wel uit eene 
schrijffout in een exemplaar van Sulla's Gedenkschriften, dat 
door één' hunner gebruikt is. Sulla toch heeft die in het 
Latijn geschreven en zeer waarschijnlijk zich van getalmerken 
bij dergelijke opgaven bediend , en dan was voor een' afschrij- 
ver de verwisseling van XIV en XV even goed mogelijk , als 



Appiani in Bellis Civilibus. 171 

van zoo vele andere nommers, b. v. van XV en XVI in hel 
fragment van Claudius bij Nonius i. v. grundire en bij Diomedes 
I. p. 379. — Het andere voorbeeld zoeke men bij Appianus 
B. C. I. 86, en vergelijke het met Plutarchus Vit. Mar. XXXV, 
niet met Vit. Suil. VIII, tenzij om zich te overtuigen van het 
niet volstrekt doorgaan van Heeren's straks genoemde stelling. 
Daar is sprake van den dwang, kort vóór Sulla's vertrek naar 
Nola door Sulpicius en de zijnen den Consuls aangedaan, tot 
opheffing der feriae, en Plutarchus stelt Sulla's eigen ver- 
haal tegenover dat van anderen. De plaatsen zijn mij te lang, 
om hier over te nemen , maar sterker proeve van in het oog 
loopende navolging is moeijelijk te leveren. Dr. W. heeft ze 
gekend , doch tot een heel ander doel verbruikt. Eens name- 
lijk , bl. 7 , dienen zij hem om aan te loonen , dat Appianus , 
als eene zaak op verschillende wijzen verhaald wordt, die over- 
levering volgt , welke het meest ten gunste van Sulla is ; la- 
ter, bl. 119, om Appianus' billijkheid en onpartijdigheid in 
het uitspreken van zijn oordeel te staven 1 

Wij hebben nu 3 §§ geregeld nagegaan , en genoeg gezien , 
om te vermoeden , wat de overige zullen opleveren. Ik ver- 
lang evenwel de beschuldiging te ontgaan , als had ik mij met 
een paar woorden van den verderen inhoud van hel boek afge- 
maakt, en zal daarom nog enkele punten van dit en van de 
overige Capita in behandeling nemen. 

In § 4 toont de S. aan , dat Appianus de Historiae van Sal- 
lustius niet schijnt gebruikt te hebben, en bewijst in dezelfde 
§ van Caput II het tegendeel , wat den Catilina betreft. Hier 
is hij veel beter geslaagd. Dit neemt niet weg , dat wij nog 
wel eens op zonderlinge redeneringen stuiten. Mij althaus is 
het niet regt duidelijk , wat het volgende beteekenl , bl. 43 
s. f. «Appianus heeft ongetwijfeld uit Sallustius' Catilina geput. 
Maar of hij het reglstreeks uit Sallustius heeft , of uit dezelfde 
bronnen , beslis ik niet. Toch beken ik (confiteor) , dat ik 
liever het eerste met Wilmans (de fonü. Dion. Cass. p. 27), 
dan het laatste met Hagen (üb. Röm. Gesch. p. 18, al.) ge- 
loof, ofschoon Hagen op eene andere plaats (p. 298) zich 
geenszins schijnt gelijk te blijven ". 

Van § 5 durf ik niet beslissen , of de inhoud , op welken ik 



172 J. A. WlJNNE, DE FlDE ET FONTIBUS 

reeds een paar malen gewezen heb, dan wel het opschrift on- 
gelukkiger mag heeten : Quaerilur , utrum A. Strabonem , an 
Posidonium , an Nepotem , an Oppium , Iubamne an Feneslel- 
lam contulerit. Bij Posidonius krijgen wij weer te doen met 
eene «virorum aucloritas", die in de 'Itrropixt van Posidonius 
eene bron van Appianüs meenen ontdekt te hebben , eene vol- 
gens den S. (bl. 22) zoo rijke bron, »ut alius alia ex eo (fon- 
»te) desumere potuerit". De S. had echter hierbij niet zoo 
karig moeten zijn met zijn licht: want wij krijgen van dien 
rijkdom bijna niets te zien. Zoo Heeren bl. 158 vlgg. wat 
duister was op dit punt , de Fragmenla hisloricorum Grae- 
corum van Muller , 5 e Deel , zouden zeker groote dienst ge- 
daan hebben. Nu komt men zelfs den titel van Posidonius' 
werk niet te weten. Ook is de S. bl. 11 eenigzins in tegen- 
spraak met zich zelven : want terwijl hij , gelijk wij boven 
zagen , het gebruik van de Commentarii van Sulla door Appia- 
hus voor onwaarschijnlijk houdt, vooral om het verschil in de- 
geschiedenis van Sülla en Marius bij Plütarchus en Appianüs , 
acht hij het bijzonder om ditzelfde verschil waarschijnlijk, 
dat de laatste de toch ook aan Plütarchus bekende 'IvTopiai 
van Posidonius wél gebruikt heeft. Eindelijk geeft hij ééne 
plaats op , waar Posidonius door Appianüs zal gevolgd zijn ; 
ééne , waar zij verschillen. Mogelijk zijn er van deze soort 
meer. Dit is ten minste opmerkelijk en bij bronnenstudie 
niet te verwaarloozen , dat bij Posidonius Athene's laatste tiran 
Athenio heet en tot de Peripatetische school behoort (Athen. V. 
p. 211 D), Appianüs, in overeenstemming met alle andere 
schrijvers, hem den naam van Aristio en een' zetel in den 
lusthof van Epicurus geeft. 

Wat ik daar even opmerkte, dat de S. in zijn vertoog over 
Sallustius beter geslaagd is dan elders, ditzelfde komt mij 
voor bij Livius het geval te zijn, § 6 van Caput I en in § 5 
der beide volgende Capita, al kan ik mij met zijn' redeneer- 
trant niet vereenigen. Ik twijfel dan ook niet , of hij schreef 
met zekere opgewektheid aan het einde van § 5: «Potius pro- 
» peremus ad scriptores, qui aut integri in manibus sunt, aut 
«quorum saltem plura fragmenta temporibus superfuerunt. 
«Quibus conferendis et tulius decernendi et iudicium nostrum 



Appiani in Bellis Civilibus. 173 

«arguraenlis idoneis stabiliendi copia erit". Maar evenzeer 
heeft mij de lezing van zijn boek overtuigd , dat hetgeen hij 
die woorden doet voorafgaan , in volstrekt subjecliven zin en 
in concreto moet worden opgevat: »Eodem modo pergentes plu- 
»res hisloricos , quorum opera non amplius supersunt , afferre 
»poteramus, sed a tali disquisitione abstineamus , quippe quae 
«nihil lucri pariat, nisi forte quis coniecturarum , quas prolu- 
»limus, unam alteramve ad certius quid statuendum nonnihil 
«prodesse existimare velit ". Voor het overige zou bij de 
Epitomae van Livius, Florus beter op zijne plaats geweest 
zijn , dan hij nu is in § 8 bij Diodorus en Valerius Maximus , 
te meer daar de S. zelf 'getuigt: »quem (Livium) Florum, nisi 
«unicum, saltem primarium ducein sibi elegisse tonslat", en 
der meening is toegedaan, dat, zoo dikwijls als Florus en 
Appianus bijna woordelijk (»ad verbum fere") hetzelfde zeggen, 
beiden het verhaalde aan Livius te danken hebben (hl. 38). 

§ 7 , Jppianum quid e Frontino , e Cicerone , e Velleio Pa- 
lerculo deprompsisse negamus, had zonder eenige schade voor 
Appianus en voor de wetenschap kunnen wegblijven. Of moes- 
Jen wij daaruit leeren : »Ex nullo eorum perpetua historia 
»lemporum illorum , quos describit Appianus, colligi potuit"? 
Of zou een lezer van Dr. W.'s boek noodig hebben ie weten: 
«Constat Frontinum opus, Strategematicön tilulo insignitum , 
»compegisse, quod bel lorum civilium ralionem habet", vooral 
op grond , dat Bami Strategematicön voor den waren titel 
houdt ? — Maar als ik Cap. II § 4 , onder het opschrift : J. 
Frontinum haud inspexisse videlur. — Neque a Cicerone eum 
pependisse arbitror rell. , zie aanvangen met de verzekering: 
»Inter scriptores, qui eandem maleriam atque Appiani librum 
«secundum tractaverunt (?) quique hodie in omnium manibus 
»sunt, haud insignem locum occupat Frontinus", dan begrijp 
ik de strekking van die aanmerking even veel of even weinig, 
als mij het doel, waarmede Frontinus voor de derde maal ten 
tooneele verschijnt in Cap. III § 4, duidelijk wordt door de 
bewering (hl. 39): «Appianum Frontinum inspexisse mihi pa- 
»rum probabile videlur, tum quod hunc Livio praeferre insa- 
«nientis erat, tum vero quia nulla vesligia consensus Fronti- 
»num inler et Appianum exstant ". Het laatste argument 



174 J. A. WlJNNE, DE FlDE ET FoNTIBUS 

heeft evenwel iets ongemeen pitligs. Alleen zou het mogelijk 
sanioris menlis geweest zijn , niet in 3 §§ , met opeenstapeling 
van voorbeelden, overschrijvers voort te praten, die niets met 
Appianus gemeen hebben. Immers deze uitkomst wordt telkens 
door Dr. W. verkregen. Slechts voor Cicero's Philippicae wordt 
eene uitzondering gemaakt , als die zeer zeker door Appianus 
gekend , doch zeer weinig gebruikt zijn. Zoo heeft Eggeb (I. 1. 
bl. 253) gezegd , en de S. loont het bl. 68 door één voorbeeld 
nader aan. 

§ 8 begint met: »Ultimi scriptores, quos Appianus in auxi- 
»lium advocare potuit , sunt : Diodorus S. , Valerius M. , Plu- 
»tarchus, Florus". De conclusie valt uit in ontkennenden 
zin ; voor Plutarchus eerst in § 9. Allen komen in het vol- 
gende Caput weder ter sprake ; de drie laatslen ook in Cap. 
III. Ik zal alleen doen zien , welk het deel is van Valerius , 
»e quo A. in tanta huius scriptoris brevilate multa desumere 
nnequit". Stemmen zij overeen, dan hebben zij »ex iisdem 
»scriptis" geput, bl. 22. Cap. II § 6 bl. KI worden deze 
»eadem scripta" verminderd tot »unus idemque fons, Livius", 
op gezag van WilmansI Cap. III § 5 bl. 66 en 67 vernemen 
wij: »Nobis existimantibus , Appianum modo ad Livium con- 
«fugisse, modo ei alios praetulisse, praeslo sunt Livii asse- 
»clae, Valerius M. et Florus". Hier had dus de S. heel ge- 
past kunnen berigten , wat hij bl. 1 in het algemeen bekent : 
>His cognitis, quivis intellexerit , me duce certo deslitutnm 
»lanquara in mari turbido et procelloso huc illuc iactari". 

Eindelijk tracht Dr. W. in § 9 , gelijk in Cap. II § 6 en 
Cap. III § 5 , door het bijeenbrengen en vergelijken van vele 
plaatsen , Appianus voor te stellen als geheel onafhankelijk van 
Plutarchus. Daarover kan ik bier niet uitweiden. Hij noemt 
zijne voorbeelden «sedulo collata", en dit moet iedereen hem 
toestemmen. Maar dat hij van het verschil of de gelijkheid 
der verhalen bij Plutarchus en Appianus ter opsporing hunner 
bronnen weinig partij heeft gelrokken , is ons vooral bij de 
Gracchi en bij Sulla gebleken , en komt ook elders duidelijk 
uit. Vrij zonderling mag tevens de wijziging heeten, welke 
zeker gevoelen van den S. gedurende zijn onderzoek schijnt 
ondergaan te hebben. In deze § namelijk wordt bl. 25 ver- 



Appiani in Bellis Civilibus. 175 

zekerd : » Appianum legens dicas , te testem oculatum demo- 
Hcratiae faventem audire ; in Plutarcho vero aristocratiae pro- 
» pugnatorem te agnoscere pulaveris " , alles volgens Nitzsch 
bl. 445. Daarentegen wordt bl. 118 en 119 opgemerkt: »Ap- 
»pianum si legis, illudmox in oculos incurrit, praeeuntes eum 
»sibi non unice habuisse scriptores , qui de Gracchis eorumque 
»inceplis magnifice sentirent". Nogthans is Appianus niet zoo 
partijdig, als Diodords of Livius. »Etsi igitur optimalium par- 
»tibus favisse videtur", luidt ten laatste de conclusie, »et ea 
» facile credidisse, quae a nobilibus annalium scriptoribus de 
»adversariis scripta erant, veritatem nunquam sciens infle- 
»xit." 

Daar ik den gang van Dr. W.'s onderzoek zoo getrouw mo- 
gelijk gevolgd heb , schijnt mij eeue herhaling van hetgeen 
hij in § 10 opgeeft, als zijne resultaten omtrent de bronnen 
van het I c Boek, even nutteloos, als het onnoodig is, het wei- 
nige, dat hij lot zijne verontschuldiging in het midden brengt, 
te wederleggen, 't Is wel waar , in dat Boek noemt Appianus 
geen enkele zijner bronnen, en vast is derhalve de grond, 
waarop men slaat, volstrekt niet; maar al ware het anders, 
toch zou noch kon de S. geslaagd zijn bij die wijze van na- 
vorschen en navolgen. In Asinius Pollio en Octavianus Augus- 
tus heeft hij daarvan voldoende proeven geleverd. Ook dit 
wil ik bewijzen. 

In het II e Boek zal dan Appianus , volgens zijne eigene ge- 
tuigenis, de Hisloriae van Asinius Pollio gebruikt hebben, en 
vermoedelijk ook in de 3 overige Boeken. Daarop valt niets 
af te dingen. Werkelijk wordt, gelijk Dr. W. bl. 31 heeft 
willen zeggen , Asinius door Appianus B. C. II. 70 bedoeld , II. 
82 als «auctor" vermeld. Uit deze zekerheid weet echter de 
S. niet het minste voordeel te trekken ; maar met de eene 
hand klemt hij zich aan Thorbeckb , met de andere aan Schweig- 
nausER vast, en geeft alle zelfstandigheid prijs. Slechts daarin 
laat hij hen los, dal hij niet aanteekent, dat het door Appianus 
(c. 82) verhaalde ook bij Plutarchus Vil. Pomp. LXXII voor- 
komt, insgelijks met aanhaling van Pollio. Ja , wat meer is, 
bl. 54 geeft hij beide plaatsen op, als »loci , in quibus exi- 
»guum consensum , multum discriminis videas", te weten tus- 



176 J. A. WlJNNE, DE FlDE ET FoNTIBUS 

schen Plutarchus en Appianus. Zoo doet men zelfs meer dan 
laten glippen; zoo werpt men weg, wat men anders gretig 
zoekt , als men de onafhankelijkheid van Appianus ten opzigte 
van Plutarchus wil handhaven. Ik sprak van vastklemmen. 
Wat namelijk Dr. W. bl. 50 1. pen. tot bl. 31 1. 7 ons te 
lezen geeft, vindt men, natuurlijk met uilzondering van »opi- 
»nalur Thorbecke" en van den overgang »utut est", bij Thor- 
becke bl. 119 en bij ScHWEiGHausER III bl. 763 woordelijk te- 
rug. Geen zweem is er van eigen onderzoek , tenzij het on- 
derzoek moge beeten te schrijven: »Quod non omnia, aucto- 
»re Asinio apud alios scriptores relata, (A.) ex eo desum- 
»sit, nihil contra mearn sentenliam pugnat", waarop eene 
mededeel ing volgt , dat Asinius ook Brieven geschreven heeft 
aan aanzienlijke mannen , o. a. aan Cicero en Plancus , maar 
dat wij niet weten, of die Brieven door Appianus zijn ingezien. 
En hiermede is de zaak van Pollio's Ilisloriae, als bron van 
Appianus' II e Boek , afgedaan , terwijl het licht , dat Cap. III 
§2 bl. 60 over de overige Boeken ontstoken wordt , zoo mo- 
gelijk, nog duisterder brandt. 

Neen , Asinius Pollio is niet fcehandeld , maar mishandeld. 
En toch behoefde hier slechts de loop van eene aangewezene 
bron gevolgd te worden , van eene bron , welker water eene 
eigenaardige kleur had, die zelfs bij eene vermenging moest 
ziglbaar blijven. Als «actor rerum" wordt Asinius vrij dik- 
wijls door Appianus vermeld. Hieruit kon ten aanzien van 
den «scriptor rerum" veel met hooge waarschijnlijkheid wor- 
den opgemaakt. Dan kwamen de kenteekenen , van elders ont- 
leend , b. v. de ongunstige gezindheid van Asinius jegens Cice- 
ro. Dit was een cerlum vestigiurn viai , waaraan de S. zoo 
weinig gedacht heeft, dat hij, na zijne bl. 122 afgelegde ver- 
klaring: »A. mihi videtur Ciceronis indolem deprimere voluisse 
»et dala opera eius gloriae obtreclavisse ", ten einde raad, ver- 
volgt: »Non meum est, quo iure ita de florentissimo Romano- 
»rum oratore sentiat , disceptare. Sed hoc unum si excipias, 
»sane omnia apud eum ex animi senlenlia profecta sunt." 
Voorts zou op Asinius hebhen kunnen en moeten toegepast 
worden , wat bl. 23 bij Florus en bl. 52 bij Suetonius onder 
hel oog gehouden is , dat , hoe gelijkluidende!' twee geschied- 



Appiani in Bellis Civilibüs. 177 

schrijvers , van welke de een den ander niet gevolgd heeft , 
dezelfde gebeurtenissen verhalen , de waarschijnlijkheid des te 
grooter is, dat hunne herigten uit dezelfde bron gevloeid zijn» 
Daar het nu, gelijk Dr. W. aantoont, niet wel voorondersteld 
kan worden, dat Plutarchus onder de «auctores" van Appia» 
kus geweest is , en beiden toch in de beschrijving van den 
oorlog tusschen Pohpeius en Caesar zeer vele punten van over* 
eenkomst hebben , beiden Asinius als getuige oproepen , in het 
eenige geval , waarin dit door Appianus geschiedt ; — zoo mag 
men , geloof ik , met eenig regt gissen , dat ook waar die 
naam niet genoemd wordt, hetzelfde heeft plaats gehad. Het 
blijft intusschen eene gissing , doch die dan der waarheid zoo 
nabij mogelijk schijnt te komen , als de getuigenissen van 
Plutarchus en Appianus door een' derde bevestigd worden , die 
insgelijks zich somtijds op Asinius beroept , zoo als Suetonius. 
Welen wij dus uit Plutarchus Vit. Caes. XXXII, dat Asinius 
er bij was , toen Caesar besloot den Kubico over te trekken , 
en zijn verbaal in de hoofdzaak met dat van Appianus B. C. II. 
55 overeenstemt, terwijl deze het lacla alea eslo noemt rb 
koivóv ' 'O xv(2o$ cbveppltpöa, de ander ri xoivov toT? tU tv- 
X*i £(i(3»lvouiriv ccirópovs kx) ToXfiXi npooiiAiov ' 'AveppiipSu xü- 
(3 o i ; — vinden wij daarenboven beider verhaal bij Suetonius 
Caes. XXXI vlg. terug, nadaldeze, weinige regels Ie voren, de 
Historiae van Asinius als zijne bron genoemd heeft; is het dan 
zoo vermetel, of ligt het niet veeleer voor de hand, te beslui- 
ten, dat zij alle drie met Asinius Pollio zijn te rade gegaan? 
Doch al genoeg over de verkeerde behandeling , welke deze be- 
roemde «actor et scriptor rerum" van Dr. W. ondervonden heeft. 
Ofschoon de S. aan de Commentarii van Augustus, eene 
hoofdbron van Appianus , grootere zorg gewijd en hier ten minste 
wat dieper doorgetast beeft , is toch zijn onderzoek niet af- 
doende noch volledig , en bij gevolg in de uitkomst niet bevre- 
digend. Zelfs schijnt hij het groote gebruik, dat Appianus van 
die Gedenkschriften heeft gemaakt, later zoo geheel vergeten te 
zijn, dat hij bl. 123 en 124 de genegenheid, welke blijkens 
de daar aangehaalde plaatsen Appianus veel meer jegens Augus- 
tus dan jegens Antonius aan den dag legt, uit eene innige 
overtuiging verklaart, dat de monarchie noodzakelijk was. 



178 J. A. WlJNNE, DE FlDE ET FONTIBUS 

Waarlijk , zoo hel in de bedoeling van den S. kon gelegen 
hebben , om ons geen' Ie hoogen dunk te doen opvallen van 
de vaslheid van Appianus' staalkundige beginselen, hij zou het 
niet veel erger hebben kunnen maken. Immers zagen wij 
daar straks den nu monarchalen geschiedschrijver niet der de- 
mocratie en schier gelijktijdig der aristocratie toegedaan? Maar 
laat mij liever door een enkel voorbeeld het onvoldoende aan- 
loonen , waardoor zich ook het onderzoek naar de Commentarii 
van Octavianus kenmerkt. Bekend is het verhaal , dat Augus- 
tus zich met geweld het Consulaat verschaft heeft; doch niet 
allen, die er van spreken, voegen bij hun berigl de vermel- 
ding van hetgeen voorafgegaan is en hem eenigermale tol ver- 
schooning kan slrekken. Vrij uitvoerig doet dit Appianus B. C. 
111. 82 , en op die wijze , dal het bijna niet Ie betwijfelen 
valt, of ook dat verbaal is aan Augustus zelven ontleend. Wei- 
chert hield zich hiervan zoo overtuigd , dat hij de plaals van 
Appianus onder de fragmenten van Augustus heeft opgenomen , 
bnp. Caes. Aug. reliquiae p. 209 vlg. Mij dunkt , als men let 
op den niel onduidelijken wenk van Plutarchus Vit. Cic. XLV 
sq. , dan moet men tot die gevolgtrekking komen. Zelfs zou 
ik geen oogenblik aarzelen om dair ü/toxóyei Sf Kxïvxp <xu- 
rig te veranderen in h^ohoytl xtL, zoodat wij een citaat 
voor ons hebben. Is dit hyperkritisch ? Het kan zijn; maar 
kritisch is toch zeker gcene uilspraak als deze: »Apud Plutar- 
«churn Oclavius suffragante Cicerone consul crealur; apud Ap- 
»pianum fit contrarium", bl. 72. Hoe inlusschen Dr. W. , 
over Augustus schrijvende , hel belangrijke werk van Weichert 
ongebruikt kon lalen liggen , is vooral in hem onbegrijpelijk , 
die zoo dikwijls naar verouderde werken of onbeduidende hoek- 
jes of ter zake niets doende geschriften verwijst; die o. a. 
hl. 62 , waar gehandeld wordt over de Commentarii van Agrip- 
pa , terstond een beroep doet op het werkje van Wjlmans Over 
de bronnen van Dio Cassüis. Is de eisch te grool, dat hij voor 
het minsl Suiungar's verhandeling De Rotnanis aulobiographis 
had moeten kennen ? Niet dat ik den vloed der citaten , op 
welken de tekst van den S. somwijlen als dobbert , vermeer- 
derd wenschte ; maar wilde hij , om een' langen en dikwijls 
moeijelijken omweg uit te winnen , zich van gidsen bedienen , 



Appiam in Bellis Civilibus. 179 

zonder daarom door hunne oogen te zien , hij had de regte 
moeten kiezen , hij had keuriger moeten zijn. Ik sprak bo- 
ven van Müller's fragmenten -verzameling. Door datzelfde 
3« Deel zou hij kennis gemaakt hebben met het Leven van 
Octavianus, zoo als dit beschreven is door Nicolaus van Damas- 
ccs. De zoogenaamde Excerpta irep) aperijs xx) kxkix? waren 
ook elders te vinden, doch déir tevens de eerste uitgave van 
het andere, in het Ëscuriaal ontdekte gedeelte. Heerbn heeft 
dit laatste niet kunnen aanwijzen, Eggbr in 1844 het nog niet 
gelezen , maar 10 jaren later mogt het bij een onderzoek naar 
de fontes van Appianus niet verwaarloosd zijn. 

Na al het gezegde nog opzettelijk te verwijlen bij hetgeen 
ons de fide el auctoritate Appiani wordt medegedeeld, komt mij 
niet alleen niet noodig , maar zelfs doelloos voor. Trouwens , 
dat een vertoog over de fides van Appianus niet degelijk kan zijn , 
als het op zulke gebrekkige grondslagen berust, als daarbij 
naar de fides der bronnen zelven volstrekt geen onderzoek ge- 
daan wordt ; — want of de S. (bl. 53 , 73 , 84 , enz.) pleglig 
en openlijk ons verzekert, dat hij er voor instaat, doet niets 
ter wereld af; — behoeft geen nader bewijs. Ook strekken de 
opmerkingen van den S. , voor een groot gedeelte , wel om 
den inhoud , maar niet om de historische waarde van Appianus' 
Bello, Civilia te leeren kennen ; wel om zekere gemoedelijkheid 
van den mensch , maar niet om de verdiensten van den schrij' 
ver te doen uitkomen. Men leze slechts dezen eersten zin 
van Cap. VII: »Si verum est, slilum esse hominem (!) homi- 
«nisque mores ergo ex eius scriptis cognosci posse, constat, 
»in libris de bellis civilibus haud pauca indicia occurrere lu- 
»culenter demonstranlia , Appianum virum probissimum fuis- 
»se"; en wete, dat dit vervolgens ook daardoor wordt op- 
gehelderd, dat Appianus in het geheel maar drie voorbeelden 
geeft van slechte vrouwen, en daarentegen zeer vele van bra- 
ve echtgenooten en trouwe slaven I 

Ik beschouw dan de mij opgelegde taak als volbragt. Ik 
heb haar wat zwaar opgenomen , zwaarder mogelijk dan be- 
hoefde en de Redactie der Mnemosyne van mij verlangde. En 
inderdaad , had ik alleen willen aanwijzen , dat het geschrift 
aan uitvoerigheid in het bijna overtollige onvolledigheid paart 



180 J. A. WlJNNE, DE PlDE ET FONTIBUS APPUNI IN Beu. ClVIL. 

in het volstrekt noodigc ; dat het lijdt aan eene algemeene 
krachteloosheid van redenering , vooral ook aan groote onjuist- 
heid van betoog en bewijsvoering; dat meermalen verkrijg- 
bare uitkomsten niet verkregen, noch de verkregene naar be- 
hooren toegepast zijn ; dat men eene voortdurende weifeling 
waarneemt, die noch geven durft noch nemen, een gemis van 
naauwkeurigheid , gebrek aan grondigheid , niet zelden opof- 
fering van zelfstandigheid; — had ik dit alles eenvoudig wil- 
len aanwijzen en het karakter van het boek in ruwe trekken 
schetsen , zeker zou dan mijn verslag in beknoptheid veel 
hebben kunnen winnen; maar hier scheen mij, zoo niet le- 
re<//wijzen, dan toch bewijzen een eerste vereischte. Kortom, 
niet wegens het boek , maar in het belang der zaak heb ik 
mij deze meerdere moeite gaarne getroost. Laat mij dit er 
bijvoegen. Ik vleide mij met de hoop, dat, hoe duidelijker 
ik deed zien , dat na den arbeid van Dr. W. een onderzoek 
naar de bronnen van Appianus meer wenschelijk dan overbodig 
is geworden , niet slechts het Utrechtsch Genootschap des te 
minder besluiten zou tot het intrekken zijner prijsvraag , maar 
dan ook anderen zich des te sterker zouden opgewekt gevoe- 
len , om naar aanleiding van deze vraag , en opmerkzaam ge- 
maakt op zekere bij- en omwegen, die niet tot de waarheid 
leiden, aan hetzelfde onderwerp hunne krachten te beproeven. 
Of die hoop ijdel was , zal de tijd moeten leeren. Intusschen 
wete Dr. W. , zoo goed als hij zal begrijpen, hoe ik ten zij- 
nen aanzien met geenc vooringenomenheid heb kunnen oor- 
deelen, dat ik wel met de warmte der innigste overtuiging, 
maar daarom niet zonder leedgevoel een zoo ongunstig vonnis 
over zijn boek heb uitgesproken. "Hhirrov axoua-fi* ivxtvo/;. 
Gaarne had ik hem dit genot geschonken ; doch ik prijs niet , 
wat ik niet prijzen mag. Transactie duldt de wetenschap 
niet. 

Amsterdam , Januarij 1 856. J. G. Hulleman.